Leven en loopbaan

Van filosofie naar historische sociologie

Publicaties

Links

Contact

Van filosofie naar historische sociologie:
 
Filosofie
 
Als filosoof deed hij eerst onderzoek naar de methodologie van de algemene taalwetenschap en de rol van theoretische termen in deze wetenschap en in de identiteitstheorie van hersenen en bewustzijn. Op het gebied van de geschiedenis van de filosofie publiceerde hij vooral over de Signifische Beweging, eerst een inleiding bij de heruitgave van Frederik van Eedens Redekunstige Grondslag van verstandhouding, daarna vooral over de Nederlandse wiskundehoogleraar Gerrit Mannoury.
 
De Tweede Gouden Eeuw
 
Na de publicatie van de vertaling van Kuhn's The Structure of Scientific Revolutions ging hij zich primair bezighouden met de historische sociologie van de exacte wetenschappen en hun vertegenwoordigers, in de 19-de eeuw de hoogleraren aan de universiteiten en de Technische Hogescholen. Centraal stond in Nederland de bloeiperiode in de bètawetenschappen na rond 1870 als gevolg van de opkomst van de sociale middengroepen. Deze konden zich ook profileren via prestaties in de wetenschap. Ze konden gebruikmaken van de invoering van de Hogere Burgerschool (HBS), waarin veel nadruk werd gelegd op wetenschappelijke scholing, maar ook van de sterke groei van het aantal leerstoelen aan de universiteiten. In zijn proefschrift (1988) vergeleek Willink Nederland met enkele buurlanden. Hij ontwikkelde een maat voor wetenschappelijke bloei in de 19-de eeuw, gebaseerd op internationaal vergelijkende tellingen in Poggendorff's Biographisch-literarische Handwörterbuch zur Geschichte der exacten Wissenschaften (1863-1962) en de Dictionary of Scientific Biography (1980-1990).
In 1980 introduceerde hij de term 'De Tweede Gouden Eeuw' als Nederlandse bloeiperiode in vooral de exacte wetenschappen in een artikel in Hollands Maandblad. In 1998 werd dit artikel uitgebreid tot een boek De Tweede Gouden Eeuw, dat nu deel uitmaakt van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
 
Historische sociologie van de Oost-Nederlandse textielfabrikantenelite
 
Vanaf 2000 verschoof zijn belangstelling naar een ander deel van de Nederlandse bourgeoisie: de Twents-Gelderse textielbaronnen. In een aantal boeken verdedigde hij de stelling, dat de ondergang van de Oost-Nederlandse textielbedrijven niet te wijten was aan 'familisme' (een door F. van Heek geïntroduceerde term, die door A. van Schelven in 1984 werd toegepast om de ondergang van Van Heek & Co te verklaren: een wijze van bedrijfsvoering waarbij het streven naar winst ondergeschikt wordt gemaakt aan de bloei, het aanzien en de continuïteit van de sociale positie der kapitaalbezitters). Ook andere vaak genoemde factoren die de ondergang en het negatieve imago van de vroegere textielindustrie zouden hebben veroorzaakt worden door hem gerelativeerd, zoals spilzucht (terwijl de persoonlijke vermogens bijna geheel werden belegd in de eigen onderneming) en heerszucht (immers: de scherpe sociale tegenstellingen in bijvoorbeeld Enschede waren te wijten aan het ontbreken van een middenklasse in door de textiel gedomineerde gemeenten, zodat de 'textielbaronnen' als slechter werden gezien dan bijvoorbeeld de Rotterdamse havenbaronnen, die vaak rijker waren, maar leefden in een omgeving met minder scherpe sociale contrasten). Boeken o.a.: Heren van de stoom en De Textielbaronnen bij Walburg Pers.